web analytics

Archief van
Categorie: blog

Geloof

Geloof

“God roept, maar de Duivel wacht?” Hij kijkt mij vol ongeloof aan, schudt zijn hoofd en laat het water bijna te hoog komen. Als hij niet snel kijkt, stroomt het over. Als Ongelovige Thomas niet snel kijkt, dan is God niet de enige die roept. Dan roept hij Hem.

“Je bent ook een vreemde griet hé.” Hij praat als ongelovige, graag over het geloof. Dat van zijn buren, zijn moeder of dat van de kassamiep bij de plaatselijke supermarkt. Maar niet over dat van hem, dat is te persoonlijk. Even trek ik mijn wenkbrauwen op, zucht en schud mijn hoofd.

“Ik vraag toch niet hoe lang je slinger is, ik vraag wat je gelooft.” Meneer Spraakzaam grinnikt, zoals stoere mannen dat doen. Springt snel over op een ander onderwerp, terwijl hij een slok van zijn thee neemt. Ik begrijp er helemaal niets meer van.

Geloof jij

Dat ik geloof

Dat er soms

Niets van

Te geloven valt

“Sommige dingen zijn persoonlijk.” Hij kruipt beetje bij beetje terug. Wetend dat ik antwoord wil en zal krijgen. Meneer Spraakzaam zet zijn thee neer. Ik dump mijn benen op de bank, kijk hem vol vraag aan. Zijn pincode ken ik al maanden, maar zijn geloof?

“Ik geloof niet.” Mijn blik brandde zijn ziel. Ik keek hem aan, kon mijn oren niet geloven. Zijn antwoord schokte niet, maar nu was het ineens zo ver. Ik wist het. Ik had het antwoord, waar ik om vroeg. Zijn handen sloegen ineen, even leek het erop alsof Meneer Spraakzaam een gebedje ging sturen. Naar boven, waar er geroepen werd. Of, stiekem naar beneden, waar de plicht wachtte.

“Maar nu weet je het dus.” Het mannelijke geslacht is een raadsel. Of ik ben dom, loop met een plaat voor mijn bakkes en let niet op de echte boodschap. Verkapt, verstopt en weggemoffeld. Ik blijf naar hem staren, hij glimlacht en knikt. Even bevind ik mij in een andere realiteit. Ik loop de laatste minuten terug in mijn hoofd en probeer de schade te vinden.

Wat kan er nou slecht zijn. Ja, ik weet het. En nu?

“Je stelt altijd maar vragen.” Meneer Spraakzaam wijst mij, op mijn meest irritante eigenschap die ik volgens hem bezit. Mijn brandende nieuwsgierigheid. Als een kleuter in de waarom-fase, opzoek naar antwoorden. Of eigenlijk, vragen. Ik knik, glimlach en weet dat ik een vervelende vragensteller kan zijn.

“Straks vraag je echt persoonlijke dingen.” Hij schudt zijn hoofd, haalt Perception van de pauze stand af en hoopt stiekem dat ik verander in een Netflix kijkende zombie. Als een nieuwsgierige hond, draai ik mijn hoofd. Ik kijk, wacht geduldig op antwoord.

“Hoe lang mijn slinger is?” Meneer Spraakzaam loopt rood aan, kijkt weg en zou volgens mij het liefste door de grond zakken.

“Ik geloof.”, zuchtend vliegen de woorden uit mijn mond. Hij draait voorzichtig zijn hoofd, krabt wat achter zijn oor en ik zie de nieuwsgierigheid branden in zijn ogen.

“Dat ik dat niet wil weten.” Het bankkussentje vliegt naar zijn hoofd, Perception speelt verder en binnen enkele minuten hang ik daar op die bank. Als de hersenloze Netflix zombie die ik kan zijn. Wel zo veilig, geloof ik.

Verder

Verder

dagen draaien door
zacht zuchten zonnestralen
kruipen kansloos
vergeten verder

manische manen malen
een eerlijk eind
zonder zekerheid
versleten verder

Niet elk licht is zichtbaar. Soms voelen we het. Diep in ons, terwijl we net op de afgrond balanceren. Kijkend naar beneden, de hel bijna omarmend. Vreemd genoeg kunnen we dan toch nog op iets neer kijken. Vluchtige wind raast door het haar, het engeltje heeft een duivels kostuum aangetrokken en fluistert jouw diepste geheimen door een megafoon de wereld in. Het maakt toch niet uit, het eind ligt al aan je voeten.

En nu?

Raap het maar op.

Proost

Proost

Ik drink van mijn water
Hij verdrinkt in het bier
Mijn gedachten zijn bij morgen
Zijn ziel is niet meer hier

Waarom blijf ik toch hopen
En wachten tot hij ziet
Dat zwemmen in het bier
Hem geen betere toekomst biedt


Liefje,
We hebben dit gesprek al meerdere malen gevoerd. Het heeft geen zin. Ik praat niet tegen dovenmans oren, maar tegen dronkenmans brein. Er is geen moment van realisatie. Geen begin, of geen eind. Het is slechts herhaling, tot je verdrinkt in het eind.

Als ik kon toveren en geloof me dit zou ik zo graag willen doen, dan was er nog steeds drank op deze wereld. Het hoeft niet allemaal te verdwijnen. Ik gun ieder zo zijn plezier. Maar liefje, als ik kon toveren… Dan toverde ik een ruggengraat. Speciaal voor jou. Zo kan je nee leren zeggen en opstaan. Een wil die net zo sterk is als de drank die je naar achter sloeg. Of net zo sterk als mijn gevoel voor jou. Als ik kon toveren liefje, dan had jij een eigen wil. (Voor zover dat bestaat.)

Ach liefje, het sprookje is uit.

Ik kan nu alleen nog maar zeggen dat sprookjes niet bestaan. Dat hoe graag ik ook zou willen, toveren geen realiteit is. Dus geniet maar.

&Proost.

Maar zonder mij.

Mist

Mist

Als ik niet dood genoeg ben voor het leven, ben ik dan wel levend genoeg voor de dood? Ik ben tegen alles. Anti dood, anti leven en vooral anti mist. We zijn op deze aardkloot gezet om eens verder te kijken dan dat onze neus lang is. Verder te kijken dan de dikke mist die vele van ons om onze bakkes hebben hangen. En, als het even kan onze volgelingen een plezier te doen. De weg naar verlossing ooit succesvol afleggen.

Wat zou jij doen zodra de mist optrekt en jouw wereld probeert te overwinnen? Daar waar je ook kijkt zie je niets, er is niets en je voelt niets. Het is er niet, maar jij bent er wel. Als een of ander vergeten vreemdeling. Gevangen in een omhulsel van de vijand.

De wereld van een idioot is zo groot niet. Vergelijk het met een zwalkende dronkenlap die zijn nek breekt over een drempel. De meest originele vloeken er uit laat vloeien en zijn tong in de knoop legt door zijn pogingen tot een heus filosofisch gesprek. Zijn geheugen laat vliegen en de nacht met beide armen vast klemt. Anders loopt het zo lastig. Hij kruipt naar de opkomende zon. Vragend waarom de mist niet liggen gaat.
Of, vergelijk het met een Leidse griet die haar schedel eens voorstelt aan een ijzeren plank. Zo’n slimme tante die vervolgens niets meer kan herinneren en de woorden niet verder krijgt, dan het puntje van haar tong. Ze blijft slechts kakelen over de mist. En hoe de dommies dat dan doen. Leven in de mist. Zweven van dag naar dag.
Beide zo verstandig als een kleuter in de plaatselijke snoepwinkel.

Maar wanneer de mist verdwijnt en de wereld er ineens weer is, zien wij slechts dat wat we willen zien. Wat wil ik eigenlijk zien? Horen? Denken? Weten? Waarom? Is het niet veiliger in de mist, wetende dat de wereld klein is. Er weinig te ontdekken valt en niets ons van het pad af kan brengen? Of lopen wij met z’n alle al jaren in de mist. Tot er ooit een dag komt waarop alles plots wegtrekt. Ons zichtveld meters verder reikt en de wereld aan onze voeten ligt.

Afgelopen vrijdag liep ik zo slim als ik ben, met mijn hoofd tegen een ijzeren plank. Het gevolg, een hersenschudding. Ik heb mij nog nooit zo dom gevoeld en hoop dan ook dat ik nooit meer in het land der mist hoef te kruipen. Gadverdamme, wat is dit verschrikkelijk zeg.

Echt lelijk

Echt lelijk

Schoonheid zit van binnen. Het is dat wat wij met ons meedragen. De echte pracht en praal zijn de dingen die wij doen wanneer alles om ons heen zwart is. Wanneer het grijs om zich heen grijpt en alle kleuren doet verdwijnen. Schoonheid is de regenboog. Jammer genoeg is de ziel van vele, niets anders dan een zwart gat.

Na een lange werkdag sta ik daar dan. De brievenbus wil weer eens niet open. De strijd tussen de brievenbusklep en mijn handen vreet mij van binnen op en laat mijn humeur dalen. Ik wil dat concertkaartje wat mijn naam schreeuwt hebben.

“Jammer brievenbusje, jij gaat niet mee en je geeft mij nu het kaartje!”

Uiteindelijk win ik. Snel sluit ik met enige agressie de brievenbus. De sleutels landen in mijn tas en ongeduldig als ik ben, open ik de envelop. Daar sta ik dan als een klein kind met mijn laatste concert kaartje. Ik mopper nog snel even wat tegen de brievenbus, draai mij om en kijk recht in zijn gezicht. De Deurman.

“Hey lieverd! Lange dag gehad?”

Gedachten rennen door mijn hoofd.

Shit. Moet ik nu echt antwoord geven? Nee. Waarom? Ik kan best tegen een brievenbus praten. Tuurlijk en dan negeren we de Deurman. Gewoon, omdat het kan. Hij denkt dan alleen maar dat ik gek ben. Ach, dat ben ik toch ook? Waarom maak ik mezelf druk om zijn mening. Het is de Deurman maar. Maar?

Ik schud mijn hoofd en geef toe. De woorden vloeien en de Deurman komt steeds een stukje dichterbij. Hij glimlacht, knikt en wil graag horen hoe mijn dag was. Mijn haren vallen even irritant als altijd voor mijn ogen. Ik kijk hem aan en zie zijn hand voorzichtig uit zijn jaszak komen. De Deurman veegt mijn rebelse haren langzaam achter mijn oor en stuurt een vlugge knipoog.

Alsof bliksem mijn hart trof. Gedachten brachten mijn hart snel weer terug in de realiteit. Het was weer eens zo. De Deurman klinkt misschien heel aardig en leuk, maar is dit niet. Toen zijn hand langs mijn wang gleed, rook ik hem.

“De deur heb je in ieder geval open gekregen.”

Hij lacht, trekt een gekke bek en probeert het gesprek in stand te houden. Vreemd genoeg hoorde ik hem niet meer, zijn geur blokkeerde mijn talent om te luisteren en het enige wat ik wilde was weglopen.

“Is er iets moppie?”

Ik knikte terwijl hij met grote ogen naar mij keek. De Deurman wilde graag weten wat er was. Zijn nieuwsgierigheid fonkelde uit zijn ogen en even leek het alsof hij met mijn antwoorden de jackpot zou kunnen winnen.

“Je ruikt nogal naar de wiet.”

“Wil je ook?”, fluisterde hij.

Hij is echt lelijk.

Schoonheid zit van binnen. Het is dat wat wij met ons meedragen. De echte pracht en praal zijn de dingen die wij doen wanneer alles om ons heen zwart is. Wanneer het grijs om zich heen grijpt en alle kleuren doet verdwijnen. Schoonheid is de regenboog. Jammer genoeg is de ziel van vele, niets anders dan een zwart gat.

Ja. Hij is écht lelijk.

Zonde

Zonde

Het zou zonde zijn als ik niets met zondes zou doen. Ze zou laten verstoffen, vergeten en laten verdwijnen. Misschien is het wel de grootste zonde die wij kunnen begaan. Er geen een maken. Sterren die vallen hebben slechts één bestemming. De grond. De vergetelheid en hun einde.

Ons gedrag is de reden waarom de redding nooit zal komen. Zich zal afkeren van onze daden en zal wijzen naar onze zondes. Het maakt niet uit hoe groot ons spijtbetuig is. De dwalingen die wij uiten zijn ons te dragen kruis. De last zal met tijd zwaarder worden en verlichting is slechts voor de tere zieltjes.

Dwalen. Van het pad af, om de juiste weg te vinden. De enige manier om de finish te halen en wie weet, nog eens iets op te steken van de reis. We leren van fouten. Zondes zijn niets anders dan uit de klauwen gelopen oepsjes. Vergissingen met hoofdletters en knopen die ons maken. Die ons binden, aan elkaar.

Een paar dagen geleden vond ik Jezus. Hij zag mij. Riep mij. Liet mij voelen hoe het kon zijn. Ik nam hem mee, droeg hem en gooide hem even later op tafel. Ik kocht namelijk Jezus. Een glossy over de Zoon. Vol met verhalen van ongelovige en nieuwe feiten. Nouja, feiten. Fabels, want ik geloof niet. Wel in sprookjes, maar dat is een ander verhaal.

Religie is interessant. Het laat zien waarom sommige schapen zo kortzichtig kunnen zijn. Het toont dat ongelovige soms een dikke pain in the ass zijn. Al met al, het bindt. Net als zondes.

Wat zijn zondes nou echt? Is het dat wat er in het Sprookjesboek staat? Zijn het de dwalingen die wij tegen beter weten in maken, of is het dat wat we juist niet doen? Het misbruik van het leven? Het gebruik er van? Of is alleen een hap naar zuurstof soms al een zonde?
Gunnen wij de zondaar zijn lucht? Het bloed wat door zijn lichaam pompt, vlak voordat hij de keel doorsnijdt van zijn laatste slachtoffer? Hebben wij het recht om te oordelen over de zonde van een ander?

Mijn oma vertelde mij vroeger vaak dat we de splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen. Vreemd genoeg had ze gelijk. Ik gun de zondaar zijn zonde niet. Maar volg wel het pad van mijn persoonlijke zondes. Ik leef ze uit, gooi ze weg en ga verder. Neem afstand en spring het diepe in. Op zoek naar de zonde twee punt nul.

Wat zondes nou echt zijn? Een leven zonder. Dat is de zonde. Zonder vergiffenis.

Vergaan

Vergaan

“We zouden het gewoon moeten doen.” Zijn donkere ogen staan vol plannen. Stralen, maar branden op zijn leed. Meneer Blauwtje heeft het flink te pakken, hartzeer twee punt nul.

“Een afscheidsbrief?” Ik ben van nature een vreemd ding. Ik geloof niet, maar zweef. Wil heel stoer zijn, maar ben van porselein. Ik schreeuw het van de daken, terwijl ik slechts fluister.

Meneer Spraakzaam vraagt of hij ook mee mag doen. Hij heeft talent voor woorden, leeft graag in fantasie en wil de spot met ons drijven.

Daar ligt het vel papier, voor mij op tafel. Leeg, eigenlijk niets anders dan een spiegel. De woorden die je schrijft, zijn de weerkaatsing van gedachten. Mijn plezier, of in dit geval mijn leed. Het oude zeer, dat soms nog voelt als de dag van gisteren.

“Kan je het wel?” Meneer Spraakzaam lijkt even bezorgd, zag hoe ik mijn zucht de wereld in hielp en hoe de woorden door mijn gedachten vlogen.

Ik knik en vertel hem dat ik net super woman ben, alleen dan knapper. Hij lacht, mompelt iets over aantrekkelijke arrogantie en waggelt de keuken in.

“Hey! Dan steken we daarna de brieven in brand!” Meneer Blauwtje trekt een grijns, ziet de vlammen al vechten. Branden, zoals hij haar graag zou laten branden. Gewoon, tot er slechts een hoopje as overblijft.

Zijn pen raakt het papier, terwijl het puntje van zijn tong uit zijn mond spiekt. Hij vergeet de wereld om hem heen en heeft niet door dat meneer Spraakzaam naast hem gaat zitten.

Zacht leest meneer Spraakzaam de woorden voor. Meneer Blauwtje blijft schrijven en even verbaasd het me. Hij schrijft over de dingen die hij al lang wist. De zaken die altijd al aan de oppervlakte lagen, maar keer op keer terug geduwd werden. Terug naar de bodem, daar waar echte monsters geboren worden.

Meneer Spraakzaam pakt een vel papier en kauwt wat op de achterkant van zijn pen. Hij wiebelt wat met zijn wenkbrauwen en kijkt waar Meneer Blauwtje zijn ogen op heeft gericht.

Ons pijnpikkie is druk met de woorden, ze stromen op papier en Meneertje Blauwtje vergeet alles om hem heen. Hij is zo druk dat hij de vluchtige knipoog van Meneer Spraakzaam niet opmerkt. Geen schande, want ik geloof dat de snelle non verbale uiting ook niet voor hem was.

Even gooit hij zijn Alpha imago aan de kant, mompelt iets wat mijn oren niet opvangen en verdwijnt. Daar zit ik dan, aan tafel met twee mannen.

Meneer Blauwtje heeft het er zwaar mee. Zijn emotie uiten op een stuk papier. Misschien, had hij dat in de relatie eens moeten doen. Wie weet, schreef hij dan nu wel een liefdesvers.

Meneer Spraakzaam schermt zijn woorden af, ik heb geen flauw idee welke zinnen vechten op zijn vel papier. De nieuwsgierigheid in mij brandt en het liefste zou ik het geschreven woord uit zijn handen trekken.

Even zie ik mijn porseleinen armen afbreken, hoe mijn gegil de theeglazen doet breken en ik realiseer me hoe levendig mijn fantasie soms kan zijn.

Vreemd genoeg vlogen de woorden voor mijn afscheidsbrief mijn gedachten in. Alsof het niets was, nooit geweest was en nooit zou worden.

Mijn pen raakte het papier, de inkt vloeide en woorden werden geboren. Uit niets, kruipen zinnen. Leren ze staan als korte alinea’s en vormen ze het verhaal.

Plots schiet Meneer Blauwtje van zijn stoel. Als een trotse kleuter staat hij daar, met de vellen papier in zijn hand. Te zwaaien alsof de vrouw van zijn leven langs komt lopen, stuiterend zoals hij van een xtc pilletje zou doen.

“Gaat het, of heb je kortsluiting daarboven?” Meneer Spraakzaam lacht, ziet zijn beste vriend graag zoals hij daar staat. Trots, vol van energie en dwaas van gedrag.

“De fik erin!!!!” Meneer Blauwtje wil de vlammen het leven schenken, zijn woorden laten vergaan zoals zijn relatie dat was.

vergaan

maar niets vergeten

hoe alles ooit

begon met daten

hoe hij ooit

door haar bezeten

maar nu alleen

en totaal versleten

Kink in de kabel

Kink in de kabel

“Zal ik je anders even iets geven, om over te praten?” Even lijkt haar lichaam te verstenen, ze beweegt niet en ik vraag mij af, of ze nog wel ademt. Ik loop op haar af, zie in gedachten de genadeklap al komen en weet zeker dat haar hoofd heerlijk zal stuiteren tegen de muur. Vrouwen maken ruzie, feeksen gaan elkaar te lijf.

Mevrouw Perfect speelt graag spelletjes. Doet alsof ze uit het etiquette boek gestapt is en zal nooit een ongetogen woord over een ander spreken. Tot het moment, dat je drie meter bij haar verwijderd bent. Dan ontwaakt haar alter ego Imperfectie, breekt de poort van de Hel open en staat zij daar als een in teer gegoten tippelaarster.

“Ja, ik kon toch ook niet weten dat het maar een roddel was?” Mevrouw Perfect zet haar handen in haar zij, neemt een tienerhouding aan en verdedigt haar woorden. Nog voordat ik haar kon uitleggen, wat mijn probleem is. Ik realiseer mij direct, dat ik met een waarzegster te maken heb.

Ze kan natuurlijk in de toekomst kijken, zonder dat ik haar vertel waarom ik zo kwaad ben. Ze weet al wat er komen gaat, heeft in haar glazen bol gezien hoe ik haar nek omdraaide en wil dit voorkomen. Het enige nadeel zal zijn, dat die toekomst voorspellende bol, haar eigen glazen oog was. Niet geheel waarheidsgetrouw dus.

Daar sta ik dan, tegenover de kleine dwerg met hakken. Haar lengte is net zo hoog als haar intelligentie, vandaar de palen onder haar voeten. Ze probeert zo dicht mogelijk bij de hemel te komen, vergeet dat de hel de enige plek is waar zij thuis hoort.

“Waarom doe je hem zoiets aan?” Geroddel hoort bij ons, ik weet het. We oordelen, praten en denken overal verstand van te hebben. Je kunt alleen wel een groot verschil maken in het dagelijkse praatje en iemand opzettelijk pijn willen doen. Op oorlogspad zijn, omdat haar perfecte imago anders niet schittert.

Ze kijkt mij aan, doet haar best om in mijn ogen te staren. Mevrouw Perfect faalt, krabt achter haar luizenoren en weet niet waar ze de woorden moet zoeken. Ze kan geen antwoord geven, of de oorzaak van haar gedrag benoemen.

“Ik weet het niet.” Ze zucht, slaat haar blik naar de grond en weet dat het geen geldige oorzaak kan hebben. Iemand met hartzeer laat je met rust, steun je en schop je. Mijn voet zal onder zijn achterste eindigen, zodra hij er klaar voor is. Of wij, er klaar mee zijn.

Meneer Blauwtje kreeg via whatsapp het leed onder ogen. Hij zou gedumpt zijn omdat hij losse handen had. Eigenaar van een kort lontje, die tijdens een slippertje een ongewenst relatiegeschenk had opgelopen. Dat cadeau had hij dan natuurlijk met alle vreugde uitgedeeld aan de hartenbreekster. Degene, die ooit zijn hartendief was. Leugens, en fabels.

De grote Alpha slaat nog geen deuk in een pakje boter en kan nog geen groentepot open draaien. Zelfs niet, met de laatste 1, 2, 3-draai sluiting van HAK. En zo gierig als de lakbal is, lijkt het mij erg stug dat hij met geschenken zwaait. Het feit dat zijn hart sloeg, voor zijn ex kan natuurlijk ook een reden zijn. Zijn hart slaat nog steeds, alleen omdat het moet. Omdat het vanzelf gaat, en het tegenhouden hiervan geen optie is.

“Wat verwacht je dan van mij?” Mevrouw Perfect krijgt praatjes, heeft nog steeds het denkvermogen van een gestrande potvis en ziet niet in dat het einde nadert. Haar minuten tikken langzaam weg, als ze zo door gaat is het zand uit haar zandloper des Levens daar. Daar, waar het niet zijn moet. Stil liggend, vast geroest. Zoals haar kunde om zelfstandig te denken.

Zonder nadenken open ik mijn gedachten, trek de deksel van de put en overspoel haar met woorden waarvan zij het bestaan niet eens van kende. Vloeken, doe ik voor gevorderden. Niet voor vrouwtjes Perfect, of hun alter ego. Tranen rollen over haar wangen, vallen op haar witte kunstzijde blouse en ze vraagt mij te stoppen. Ze heeft spijt, pijn en verdraagt het niet langer.

“Het enige waar jij spijt van hebt, is dat je gesnapt bent.” Ik ga zitten, pak mijn telefoon en lees het laatste whatsappje voor. Haar ogen branden, zoals water dit zou doen. Ze pakt haar spullen, verteld mij dat hier ik spijt van krijg en slaat de deur achter haar dicht. De klap is hard, maar niet zo hard als die plaat voor haar perfect geplamuurde bakkes.

Daar zat ik dan, Meneer Blauwtje trok een glimlach op en stak zijn duim omhoog. Hij vertelde mij dat Mevrouw Perfect hem had willen troosten, op een kut van nikkel. Haar beschrijven als goud, kan ik natuurlijk niet. Dat was meteen het punt, waarop ik haar reden vond.

De oorzaak van het geroddel om Meneer Blauwtje zwart te maken was slechts geboren uit afwijzing. Iets wat meer verteld over haar leed, dan dat van hem. Het schreeuwt dat Mevrouw Perfect slechts een Meisje Angst is. Geen vertrouwen in zichzelf, of haar leven. Geen trotse slinger kan vinden en dus opzoek is naar een stervende palmboom. Je kent ze wel, slaphangende bladeren. Zonder leven, trots of pit. Het moet je kink maar zijn.

En nu? Nu ga ik bibberend en bevend wachten op haar wraak. Haar zoete, imperfecte en pitloze reactie

Toevalskracht

Toevalskracht

“Ja, en toen stond ik daar dus. In zijn freaking woonkamer!” Mijn beste vriendin hapt naar lucht, tranen rollen over haar wangen en het gelach is zelfs voor de doven nog te horen. Ze schudt haar hoofd, vraagt wanneer ik het eens ga toegeven.

We wandelen onze winkel in, praten over de vreemdeling en terwijl ik de deur op slot draai loopt hij weer voorbij. Ik zwaai voorzichtig, met een hartslag die niet gezond kan zijn. Je ziet mijn aderen kloppen aan de onderkant van mijn hals, koffie is voorlopig niet nodig.

“Misschien doet zijn slinger het niet eens meer, dwaas.” Mijn beste vriendin spot, lacht en loopt langzaam naar ons verblijf. Ik rol met mijn ogen, vertel haar dat ik niets in hem zie. Met een hoofd als een tomaat, en dus het geloofwaardigheidsniveau van Judas. Geheel niet aanwezig.

“Door jou droom ik zelfs over de Vreemdeling.” Ze valt bijna van haar stoel af, slaat haar armen om haar buik en zegt dat ik nu echt moet stoppen. Plots staat mijn geliefde assistent in de deuropening. Ze schudt haar hoofd, heeft ons verhaal gedeeltelijk meegekregen en weet toch precies waar het over gaat.

Het is de Vreemdeling, kan niet missen. Ik kijk haar aan, knik en geef de strijd voor vandaag maar op. Er valt niets aan te doen. Zodra hij voorbij loopt, zie ik het. Voel ik het, en vreemd genoeg zien we elkaar. Ik kijk, hij kijkt. Het maakt niet uit hoe laat, hoe toevallig of geplant het ook is.

We zien elkaar.

“Hij heeft wel een naam nodig.” Mijn assistent denkt even na. Na enkele seconden verschijnt er een twinkle in haar ogen en wij weten het zeker. Ze heeft een naam voor de Vreemdeling. Willen we het weten? Gaan we de vreemdeling een naam geven, toegeven dat er iets is wat er voor zorgt dat we elkaar keer op keer recht in de ogen kijken? Stiekem is dit het punt waarbij ik het liefste terug had gegaan in de tijd.

Nee Cassilda, je kunt een man van misschien wel begin veertig, geen naam geven. Het is niet gezond dat we elkaar zien, zonder te weten. Weten, dat we elkaar toch wel zien. Vervolgens zwaaien, of een zenuwachtige begroeting eruit flikkeren.

“JACK!!!! Want hij doet mij denken aan Jack Sparrow!” Ik schiet in de lach, kijk naar Mevrouw Twinkle en kan haar geen ongelijk geven. De Metal man heeft inderdaad wat Sparrow trekjes, Jack is dus perfect. Of nouja, de naam past perfect.

Het is wel te hopen, dat Meneer Jack in het echte leven geen Jack heet. Dat hij gewoon een burgerlijk vadertje is, met de juiste muzieksmaak. Graag tientallen keren per dag over het plein loopt en dan gewoon toevallig deze dwaze onderbroekendame aankijkt. Tegen het lijft loopt, of er vluchtig naar zwaait.

Het is te hopen, dat het vinden een illusie is. Dat aantrekkingskracht niet bestaat. Een fabel is. Een sprookje, waarbij we ons voor de gek houden. Dingen achter zaken zoeken, die gewoon heel simpel te verklaren zijn. Dat het leven, eigenlijk maar een saaie bedoeling is en wij zelf heerser zijn in de creaties van onze fantasie. Dat Jack, gewoon een mens is.

Het blijft te hopen, dat Jack geen naam voor mij verzonnen heeft. Want wees eens eerlijk, hoe groot is de kans dat mijn naam dan klopt? Straks noemt hij mij Morticia, omdat mijn scheiding niet altijd even braaf zit. Ik er als een echte doodsgraver in rouw bij kan lopen, tot ik zijn glimlach zie.

Aantrekkingskracht, of toevalskracht.

Meisje

Meisje

“Je vindt nooit meer iemand zoals mij!” Ze gooide de deur dicht en daar stond hij dan. Aan de andere kant van de deur. Klaar om zijn hart, ballen en ziel op te rapen. Verder te gaan en zich te realiseren dat een ander vinden, zo´n slecht idee nog niet was.

Daar zat hij dan, Meneer Blauwtje zat tussen ons in op de bank. Stoer te doen, zich te vermannen. Echte mannen huilen niet, doen alsof we nog in een grot wonen en laten zeker hun verdriet niet zien in het gezelschap van een meisje. Ach, het zal een compliment zijn. Ze zien mij nog als meisje.

Ik zak onderuit, geef meneer Spraakzaam de look. Mijn ogen spreken wat ik denk en gelukkig kent hij mij lang genoeg om de boodschap te begrijpen. Langzaam staat hij op, mompelt iets over bier halen en grijpt naar zijn pinpas. Hij kijkt Meneer Blauwtje aan en zegt dat ze het wel even zullen oplossen. Dat hartzeer.

“Donder nou maar op, lang end. Ik zorg wel voor Meneer Blauwtje.” Ik knik, wijs naar de deur en stuur Meneer Spraakzaam in zijn eigen huis weg. Misschien niet heel netjes, maar soms zijn meisjes dat gewoon niet. Hij pakt zijn sleutels, stuurt mij een vlugge knipoog en wandelt op zijn gemak de deur uit.

Daar zitten we dan, in een huis dat niet van ons is. In de rommel, die wij toch niet hoeven opruimen. Achter een tv, die helaas ook niet van ons is. Meneer Blauwtje zucht, zegt geen woord en staart zonder te kijken. Langzaam kruipen de scheuren in zijn ikbenheuswelstoer-imago en beginnen de emoties te kriebelen.

“Misschien vind je nu wel een griet met echte tits. Of een echte persoonlijkheid. Of beiden. WINWINSITUATIE!” Hij haalt zijn schouders op, plakt vervolgens een gemaakte glimlach op zijn gezicht. Mannen met hartzeer, het zou verboden moeten worden. Ik kijk hem aan, zwijg en wacht op zijn breekpunt. Mensen kunnen niet tegen stilte, ze gaan vanzelf praten en ik hoop dat Meneer Blauwtje dit ook doet.

“Niets in het leven is zeker.” Plots vallen de woorden uit zijn mond. Ik kijk hem aan, zie zijn ziel vechten en hoor op de achtergrond gerommel. De muren van de grot storten in, nemen zijn gemoedstoestand mee en daar zit hij dan. De blauwe waterval.

“Jawel. Sommige dingen zijn zeker.” Ik wil hem niet troosten, geen arm om hem heen slaan of hem begraven onder de papieren tissues. Die trouwens knap lastig te vinden zijn, in een huis wat niet van jou is. Ik geef hem een glas water, laat de waterval stromen en knik zo nu en dan.

Het leven is een zwart gat. Zij is een dom wicht en hij verdient veel beter. Het typische break up geouwehoer in combinatie met de onzekerheden van het leven. Ik droom in gedachten af, verbeeld mij de antwoorden waarmee ik een tienermeisje gerust zou stellen wanneer haar hart in stukken gescheurd is en vertel Meneer Blauwtje precies hetzelfde.

Het werkt.

“Ik vraag toch niet om iets vreemds… ik wil alleen maar zekerheid!” Hij kijkt dwars door mij heen, spuwt al zijn verdriet over de tafel en heeft steun nodig. Even beeld ik mij in, hoe het zou zijn als we elke hartzeer-patient uit zijn of haar lijden zouden verlossen. We gunnen niemand pijn, verdriet of leed waarbij onze ziel in stukken gesneden wordt. Uitgedeeld wordt, alsof het niets is. Vertrapt, verloochen en vergeten. (Dat gunnen we enkel onze ex.)

Ik schud mijn hoofd, keer terug in de realiteit en hoor Meneer Spraakzaam binnen waggelen met het mannen elixer onder zijn arm. Vol afschuw kijk ik hem aan, veroordeel ik zijn drank en als een echte straight edge chick zou ik de bierflesjes zo naar buiten willen mieteren.

“Weet je wat zeker is, Blauwtje?” Meneer Spraakzaam heeft schijnbaar een deel van ons gesprek meegekregen en wacht geduldig tot hij de volle aandacht heeft van onze zielepiet. Meneer Blauwtje kijkt traag zijn kant op, probeert zich te vermannen. Herpakt zich, en zit binnen enkele seconden als de echte macho weer op de bank.

“We drinken het er wel uit. Dat, is zeker!” De oerkreten van het stel holbewoners klinken snel, Netflix schiet aan en ze hebben vervolgens van die typische cave men gesprekken. Het is zeker, dat ik een meisje ben. Een heel gewoon meisje. Dat geen reet begrijpt van mannen en hun hartzeer