web analytics
De vluchtelingen en het schaap

De vluchtelingen en het schaap

Waar gaat het heen met de wereld? We dobberen met z’n alle maar wat rond en verwachten dat alles vanzelf wel weer goed komt. Starend naar de horizon, wachtend op de kust. Met een beetje geluk overleven we de reis. Misschien winnen we zelfs de jackpot, en neemt een Nederlands gezin ons in huis.

Zet de kijkbuis aan en aanschouw het leed van de wereld. Kleine kinderen spoelen aan. Mannen nemen afscheid van hun gezin, hopend dat de dag van vereniging ooit aan zal breken. Gezinnen worden uit elkaar getrokken en ze zijn allemaal op de vlucht voor het kwaad. Dobberen op een bootje over zilte golven, biddend voor een redding. Een oplossing. Genade.

Of je nu voor of tegen de immigranten bent, het maakt allemaal geen kut meer uit. Ze zijn al onderweg. Duizenden. Het voelt voor mij dan ook of elke oplossing gelijk staat aan dweilen met de kraan open.

Toch denkt niet iedere simpele ziel hier hetzelfde over. Er waren zelfs twee moderne hippies die hun idee de wijde wereld in gooiden. Janet ten Brinke, één van de initiatiefnemers van de Facebook-pagina ‘Ik ben een gastgezin voor een vluchteling’, kon het leed niet langer aanzien. Er moest verandering komen. Al die hulpeloze vluchtelingen verdienen een beetje liefde. Een gezellige middag, een maaltijd en zoals haar man, Jurrien ten Brinke, zo liefkozend meldt; “gewoon de warmte van het samenleven delen.”

Dat het gelovige stel de vluchtelingen niet in huis wil nemen, vertellen ze vervolgens even tussen neus en lippen door. Ze mogen wel gezellig een dagje mee. Of een vorkje meeprikken ’s avonds. Ik bedoel: ze zijn de moeilijkste niet.


Binnen enkele dagen stijgt het aantal gastgezinnen aanzienlijk. Even krijg ik het gevoel alsof Nederland vol zit met zwakkelingen. Mensen die zich alle kanten op laten trekken door de media en niet verder kijken dan hun neus lang is. Op dit moment telt de Facebook community al meer dan 27.000 likes en als we de site gastgezinvoorvluchteling mogen geloven, zijn er meer dan 17.000 gezinnen bereid om zich op te offeren. Om iets goeds voor de samenleving te doen. Om te zeggen; kijk mij eens, ik help!

Ja. Dat is het lieverds. Het is niets anders dan een ‘kijk mij eens geweldig zijn’-actie. Over het leed van een ander heen. Getraumatiseerde mensen opnemen in je leven, om ze naar eigen inzicht te ondersteunen. Dat bijna niemand van ons echt weet hoe het is om een vluchteling te zijn vergeten wij maar even.

Ik vraag me af: waarom alleen de vluchtelingen? Waarom zetten wij de deur niet open voor mishandelde vrouwen die op de vlucht zijn geslagen voor hun ex de psychopaat? Waarom nemen wij daklozen niet mee uit eten? Hebben zij geen honger? Waarom vragen wij de lokale junk niet hoe het met hem gaat? Waarom zijn wij zo mediageil?

Verstandig of niet, schapen heb je altijd.

Deze column staat tevens op FOK!.

Op zoek naar een oplossing

Op zoek naar een oplossing

Met mijn schep los ik problemen op. Ik maak er een eind aan. Sla hem zonder enige aarzeling de grijze massa uit zijn hoofd en terwijl het bloed langs de muren naar beneden druipt, besef ik het. Ik ben net een kind. Met een zandkasteel.

Cassilda ben je dan nu echt gestoord geworden? Laat mij maar even. Kom anders even naast me zitten. Dan staren we samen naar de horizon. Op een denkbeeldige zomerdag, turend naar al dat kleine grut dat het strand versiert met zandkastelen.

Sommige kinderen zijn geboren kunstenaars. Ze bouwen de prachtigste creaties en maken mams en paps maar wat trots. Ja dat is ons ukkie! Die flikt dat! Isabella versiert de kastelen met gevonden schelpen, terwijl haar broertje Frederick zijn weg door de toekomstige grachten schept. Met beleid, want een koninkrijk staat natuurlijk niet binnen een paar tellen. Sommige kinders begrijpen dat. De kunst van de zandkastelen.

Andere monsters begrijpen er geen moer van. Die proppen het zand in een emmertje. Vergeten het zand in de emmer glad te strijken. Een emmertje dat trouwens zijn beste dagen heeft gehad. Het krakkemikkige ding hangt van scheuren aan elkaar. Nee dat kan niet goed gaan. Blinden zien dat nog.

Hoe dan ook, Martin keert het emmertje toch maar om. Hij heeft haast. Zijn maatjes willen zwemmen, vaders heeft een dikke, dronken Duitser gespot en wil eigenlijk een ander plekje gaan zoeken. Martin tikt zacht met zijn schepje op zijn emmer. Bidt tot de goden van het zand. Laat mijn kasteel staan. Laat dit het begin zijn van mijn koninkrijk.

Bibberend tilt hij de emmer op. Het zand stribbelt tegen, grijpt de vrijheid aan en zoals verwacht stort zijn eerste torentje in. Daar ligt het dan. In kleine hoopjes. Het koninkrijk is al gesneuveld voordat het überhaupt de kans op bestaan mocht grijpen. Arme Martin, met zijn haast kwam er natuurlijk niets van terecht.

Kleine Martin geeft niet op. Hij schept zijn emmertje weer vol, zet het bovenop de restanten van zijn ravage en slaat dit keer al zijn hoop uit op de emmer. Met zijn schep mept hij het versleten emmertje in stukken. Boem is ho, en kapot is toch echt kapot. Het zand ligt overal, de scherpe plastic stukken steken her en der uit en vaders schreeuwt dat kleine Martin moet opschieten. Hier komen en snel. Het kleine monster pakt zijn schep, rent snel door zijn verloren koninkrijk heen en kijkt niet meer achterom.

Zou Martin van Rijn zich ook zo voelen? De PGB-Kloot veranderde dit jaar in een hel voor veel persoonsgebonden budgethouders. Het systeem werd aangepast, gemeenten kregen er taken bij en fraude zou eens echt aangepakt worden. Meneertje van Rijn nam overhaaste beslissingen, gaf de betrokken instanties weinig tijd om zich goed voor te bereiden en schreeuwde van de daken dat het allemaal wel goed kwam. Geen ziel die last van de veranderingen zou hebben.

Dit bracht duizenden budgethouders in de problemen. Nieuwsberichten over het falen van Staatssecretaris van Rijn springen ons om de oren en toch sukkelen we door. Martin het schoftje ziet zijn zandkasteel voor zijn voeten liggen. Het losse zand laat zien dat de fundatie niet geschikt is voor een nieuw idee. Het schreeuwt om genade. Toch heeft onze PGB-kloot andere plannen. De budgethouders mogen gezellig voor een herindicatie en dit moet voor 1 oktober gebeuren.

Ik zal niet zeuren over haast en dat ene oude spreekwoord. Misschien biedt mijn schep een betere oplossing.

Deze column staat tevens op FOK!.

De illusie van groepsdruk

De illusie van groepsdruk

Nu het weer back to school-tijd is, worden we gebombardeerd met allerlei tips. Ervaringen van bejaarden. Waarschuwingen van de zwakkere zielen. Facebook knalt bijna uit z’n voegen met de antipestberichten en iedereen is het ziekelijk met elkaar eens.

Bereid je kind er maar alvast op voor. Ze moeten weer naar school, de hel zal openen en als ze niet uitkijken zullen ze verslonden worden. Dat er helemaal niets aan de hand is wanneer de kinders zich een beetje fatsoenlijk gedragen vergeten we maar even.

‘Groepsdruk? Donder toch op met je fabels.’ Daar zit ik dan. Aan tafel met de oudjes. De warme maaltijd is het moment om de laatste nieuwsberichten eens te bespreken en nu de zomervakantie toch echt aan zijn eind is kan het thema groepsdruk niet ontbreken.

Een gesprek over groepsdruk kan maar twee kanten op. Optie een: je bent het er mee eens. Groepsdruk bestaat en is een smerig iets. Het dwingt tere zieltjes zich over te geven aan het grote sterke ego van de groep. Optie twee: je gelooft niet in groepsdruk. De koters misdragen zich, maar doen dit omdat ze het leven aan het ontdekken zijn. Maken verkeerde keuzes, maar wijzen niet naar hun vrienden.

‘Je hebt toch een eigen mening? Als de buurvrouw het niet mooi vind, dan heeft ze pech. Als je beste vriendin je negeert omdat je niet laveloos afgevoerd wordt op een brancard, moet je juist blij zijn. Bedoel, hoe lang heeft de kleine slet nog te leven als comazuipen haar hobby is?’ Moeders trok haar wenkbrauwen op. Vaders kon alleen maar lachen.

Drukke ouders denken hier anders over. Paps en mams werken zich elke dag in het zweet, om zo hun kroost te voorzien van alle luxe die ze zich wensen kunnen. Rekeningen worden betaald, vakanties geboekt. Kinderen verdwijnen in de onlinewereld, maar klagen doen ze niet. Nee, de laatste iPhone houdt ze stil. Ouders hebben het zwaar. Voelen de hitte van de maatschappij in hun nek. Laten de druk winnen en vinden allerlei smoesjes voor de wandaden van hun koters.

Het ligt niet aan mijn kind. Mijn kind gedraagt zich altijd voorbeeldig. Oh, je ramen zijn ingegooid? Je auto in de brand gestoken? Je hond is onthoofd, en zijn ledematen lagen in de brievenbus? Oh, … doet ‘ie normaal nooit heurrr! Ik weet waar het door komt, het is jouw zoon! Dat wanschepsel stookt iedereen op, zaait anarchisme rond en zorgt ervoor dat de zwarte kant van mijn engeltje naar boven komt.

Dat ik niet in groepsdruk geloof zal nu wel duidelijk zijn. Ik ben een achtentwintig-jarige kuttekop, die nooit waarheid gevonden heeft in groepsdruk. Geen sigaret aangeraakt, geen druppel alcohol en ook geen ritje gemaakt op een eenhoorn, terwijl ik genoot van de sprookjes van de gebroeders Grimm die tot leven kwamen. Vraag me niet om een chocoladereep voorbij te lopen in een supermarkt, die druk kan ik dan weer niet aan.

We leren onze kinderen dat ze geweldig zijn. Dat ze alles kunnen, zolang ze er maar voor gaan. Dat het leven geen sprookje is en dat je soms heel hard moet knokken voor je eigen levensdoelen. Maar; JE KUNT HET!!

Waarom kunnen kinderen dan niet voor zichzelf opkomen als dat nodig is? Waarom moeten ze een ander kind het leven zuur maken, en waarom moeten de ouders van deze duivelskinderen dan overal de problematiek van groepsdruk en pesten delen?

Ouders spammen het hele sociale mediawereldje vol met de gevaren des levens. Maar even om de tafel gaan zitten en je eigen onkruid vertellen hoe het echt in elkaar steekt is te veel moeite.

Deze column staat tevens op FOK!.

Echte monsters

Echte monsters

Zacht, blond en krullend haar dwarrelt voorzichtig naar beneden. Moeders gegil zet mij stevig aan het denken. Ja, misschien is het wel waar. Ik ben de grootste nachtmerrie van mijn ouders. Kinderen zijn monsters. Koters zijn kleine draken die de geestelijke gezondheid van hun ouders meerdere malen op de proef zullen stellen. Met voorbedachten rade? Misschien.

Toen ik nog een klein vervelend meisje was, knipte ik mijn zusjes lokken af. Het haar van goudlokje verdween en de make over maakte van mijn zusje een klein, knorrig stekelvarkentje. Zo jong als ik was, wist ik het zeker. Ik werd kapper en goudlokje was mijn eerste patiënt.

Moeders was diep verzonken in haar soap. Het zwijgen van haar dochters voelde niet aan als een stilte voor de storm. Haar moederlijke zintuigen waren verdoofd. Geen gillende kinderen in de kamer. Welke moeder zou dat wantrouwen?

Het was muisstil toen moeke vlug om het hoekje kwam kijken. Haar wenkbrauwen namen een stand aan die ik later nog veel vaker terug zou zien. Gevalletje huisarrest. Gelukkig was ik daar als achtjarige nog te jong voor.

Kinderen zijn niet te vertrouwen. Ze verknippen zonder pardon de lokken van zusjes, trekken de kat glitterjurkjes aan en smeren het behang eens goed in met moeders exclusieve bodylotion. Koters vreten krijt op en als je even echt niet oplet verdwijnen ze.

Het zal je gebeuren. Je wordt wakker, loopt naar je kindjes en komt tot de ontdekking dat de bengel van het stel vertrokken is. Haar slaapplek is koud. Dochterlief heeft in het diepst van de nacht de gezellige familievakantie ingeruild voor een echt avontuur. Op naar waar gevaar met haar speelt. De zoektocht naar een plek waar ze echt gelukkig denkt te worden is begonnen.

Het verontrustende nieuwsbericht barstte uit zijn voegen. Vluchten was niet mogelijk. Marco Tuk kon zijn dochter niet vinden. Zijn tienerpopje vertrok en niemand wist waar ze was. Vaders vocht voor aandacht, gooide social media vol met noodkreten en kon niets anders doen dan zoeken. Waar kon zijn onschuldige, vermiste engeltje toch zijn?

Lisa Tuk was verliefd en wilde haar toekomstige vriendje gewoon even knuffelen. Het popje smachtte naar het samensmelten van hun zielen. Ze sloop weg, voelde niet meer hoe haar voeten de weg op het pad naar eeuwige liefde volgden. In haar hoofd was ze er al.

Kinderen zien geen gevaar. Ze zien de wereld zoals het ooit was. Enge monsters bestaan wel, maar zijn slechts een ver-van-hun-tienerbedshow. Kinderen kennen geen vrees. Met een mobiel op zak komt alles toch goed? Die ouwe lui zijn zo gebeld. En wees eens eerlijk, achter het ontmoeten van je zielsverwant kan toch geen kwaad schuilen?

Lisa werd verleid door een jongen die niet bestond. Ze ontving foto’s van een of ander knap bekkie, viel voor de zachte woorden en dacht dat haar dromen eindelijk zouden uitkomen. Onschuldige meisjes doen domme dingen. Worden verliefd. Geloven de sprookjes die vieze, oude volwassen mannen hun voorspiegelen. Echte monsters vind je niet onder je bed, die verschuilen zich op het internet.

Zoals het ons siert hebben wij allemaal een mening en op sommige plekken wordt Lisa flink door de modder gehaald. Toch vraag ik mezelf af of we niet allemaal dom zijn geweest. Wie kan hier oordelen over de splinter in het oog van een ander zonder eerst eens naar die balk in het eigen oog te kijken?

Kleine kinderen staan gelijk aan kleine problemen. Je geeft ze een zoen en lost zo alles op. Ouders verjagen de gedrochten onder het bed en zolang je de echte monsters geen schaar geeft komt het zelfs met de zusjes en broertjes goed.

Grote kinderen maken grote problemen. Ze slaan genadeloos een klasgenoot in de nek met een stoel. Versturen naaktfoto’s van dat ene meisje uit de klas rond met een of andere groepsapp from hell en lopen zonder enige overpeinzing weg om eens te kijken of die ene gozer nou echt zo leuk is.

Wij hebben een wereld gecreëerd waarin vaders wanhopig hun werkdag afsluiten met een bezoekje aan de Blokker. Hier met die schaar. Niet voor de lokken van zijn kinders, maar voor die verdomde internetkinderlokkers.

Kinderen en de digitale wereld zijn als Russische roulette.

Deze column staat tevens op FOK!.

Verder

Verder

dagen draaien door
zacht zuchten zonnestralen
kruipen kansloos
vergeten verder

manische manen malen
een eerlijk eind
zonder zekerheid
versleten verder

Niet elk licht is zichtbaar. Soms voelen we het. Diep in ons, terwijl we net op de afgrond balanceren. Kijkend naar beneden, de hel bijna omarmend. Vreemd genoeg kunnen we dan toch nog op iets neer kijken. Vluchtige wind raast door het haar, het engeltje heeft een duivels kostuum aangetrokken en fluistert jouw diepste geheimen door een megafoon de wereld in. Het maakt toch niet uit, het eind ligt al aan je voeten.

En nu?

Raap het maar op.

Proost

Proost

Ik drink van mijn water
Hij verdrinkt in het bier
Mijn gedachten zijn bij morgen
Zijn ziel is niet meer hier

Waarom blijf ik toch hopen
En wachten tot hij ziet
Dat zwemmen in het bier
Hem geen betere toekomst biedt


Liefje,
We hebben dit gesprek al meerdere malen gevoerd. Het heeft geen zin. Ik praat niet tegen dovenmans oren, maar tegen dronkenmans brein. Er is geen moment van realisatie. Geen begin, of geen eind. Het is slechts herhaling, tot je verdrinkt in het eind.

Als ik kon toveren en geloof me dit zou ik zo graag willen doen, dan was er nog steeds drank op deze wereld. Het hoeft niet allemaal te verdwijnen. Ik gun ieder zo zijn plezier. Maar liefje, als ik kon toveren… Dan toverde ik een ruggengraat. Speciaal voor jou. Zo kan je nee leren zeggen en opstaan. Een wil die net zo sterk is als de drank die je naar achter sloeg. Of net zo sterk als mijn gevoel voor jou. Als ik kon toveren liefje, dan had jij een eigen wil. (Voor zover dat bestaat.)

Ach liefje, het sprookje is uit.

Ik kan nu alleen nog maar zeggen dat sprookjes niet bestaan. Dat hoe graag ik ook zou willen, toveren geen realiteit is. Dus geniet maar.

&Proost.

Maar zonder mij.

Mist

Mist

Als ik niet dood genoeg ben voor het leven, ben ik dan wel levend genoeg voor de dood? Ik ben tegen alles. Anti dood, anti leven en vooral anti mist. We zijn op deze aardkloot gezet om eens verder te kijken dan dat onze neus lang is. Verder te kijken dan de dikke mist die vele van ons om onze bakkes hebben hangen. En, als het even kan onze volgelingen een plezier te doen. De weg naar verlossing ooit succesvol afleggen.

Wat zou jij doen zodra de mist optrekt en jouw wereld probeert te overwinnen? Daar waar je ook kijkt zie je niets, er is niets en je voelt niets. Het is er niet, maar jij bent er wel. Als een of ander vergeten vreemdeling. Gevangen in een omhulsel van de vijand.

De wereld van een idioot is zo groot niet. Vergelijk het met een zwalkende dronkenlap die zijn nek breekt over een drempel. De meest originele vloeken er uit laat vloeien en zijn tong in de knoop legt door zijn pogingen tot een heus filosofisch gesprek. Zijn geheugen laat vliegen en de nacht met beide armen vast klemt. Anders loopt het zo lastig. Hij kruipt naar de opkomende zon. Vragend waarom de mist niet liggen gaat.
Of, vergelijk het met een Leidse griet die haar schedel eens voorstelt aan een ijzeren plank. Zo’n slimme tante die vervolgens niets meer kan herinneren en de woorden niet verder krijgt, dan het puntje van haar tong. Ze blijft slechts kakelen over de mist. En hoe de dommies dat dan doen. Leven in de mist. Zweven van dag naar dag.
Beide zo verstandig als een kleuter in de plaatselijke snoepwinkel.

Maar wanneer de mist verdwijnt en de wereld er ineens weer is, zien wij slechts dat wat we willen zien. Wat wil ik eigenlijk zien? Horen? Denken? Weten? Waarom? Is het niet veiliger in de mist, wetende dat de wereld klein is. Er weinig te ontdekken valt en niets ons van het pad af kan brengen? Of lopen wij met z’n alle al jaren in de mist. Tot er ooit een dag komt waarop alles plots wegtrekt. Ons zichtveld meters verder reikt en de wereld aan onze voeten ligt.

Afgelopen vrijdag liep ik zo slim als ik ben, met mijn hoofd tegen een ijzeren plank. Het gevolg, een hersenschudding. Ik heb mij nog nooit zo dom gevoeld en hoop dan ook dat ik nooit meer in het land der mist hoef te kruipen. Gadverdamme, wat is dit verschrikkelijk zeg.

Echt lelijk

Echt lelijk

Schoonheid zit van binnen. Het is dat wat wij met ons meedragen. De echte pracht en praal zijn de dingen die wij doen wanneer alles om ons heen zwart is. Wanneer het grijs om zich heen grijpt en alle kleuren doet verdwijnen. Schoonheid is de regenboog. Jammer genoeg is de ziel van vele, niets anders dan een zwart gat.

Na een lange werkdag sta ik daar dan. De brievenbus wil weer eens niet open. De strijd tussen de brievenbusklep en mijn handen vreet mij van binnen op en laat mijn humeur dalen. Ik wil dat concertkaartje wat mijn naam schreeuwt hebben.

“Jammer brievenbusje, jij gaat niet mee en je geeft mij nu het kaartje!”

Uiteindelijk win ik. Snel sluit ik met enige agressie de brievenbus. De sleutels landen in mijn tas en ongeduldig als ik ben, open ik de envelop. Daar sta ik dan als een klein kind met mijn laatste concert kaartje. Ik mopper nog snel even wat tegen de brievenbus, draai mij om en kijk recht in zijn gezicht. De Deurman.

“Hey lieverd! Lange dag gehad?”

Gedachten rennen door mijn hoofd.

Shit. Moet ik nu echt antwoord geven? Nee. Waarom? Ik kan best tegen een brievenbus praten. Tuurlijk en dan negeren we de Deurman. Gewoon, omdat het kan. Hij denkt dan alleen maar dat ik gek ben. Ach, dat ben ik toch ook? Waarom maak ik mezelf druk om zijn mening. Het is de Deurman maar. Maar?

Ik schud mijn hoofd en geef toe. De woorden vloeien en de Deurman komt steeds een stukje dichterbij. Hij glimlacht, knikt en wil graag horen hoe mijn dag was. Mijn haren vallen even irritant als altijd voor mijn ogen. Ik kijk hem aan en zie zijn hand voorzichtig uit zijn jaszak komen. De Deurman veegt mijn rebelse haren langzaam achter mijn oor en stuurt een vlugge knipoog.

Alsof bliksem mijn hart trof. Gedachten brachten mijn hart snel weer terug in de realiteit. Het was weer eens zo. De Deurman klinkt misschien heel aardig en leuk, maar is dit niet. Toen zijn hand langs mijn wang gleed, rook ik hem.

“De deur heb je in ieder geval open gekregen.”

Hij lacht, trekt een gekke bek en probeert het gesprek in stand te houden. Vreemd genoeg hoorde ik hem niet meer, zijn geur blokkeerde mijn talent om te luisteren en het enige wat ik wilde was weglopen.

“Is er iets moppie?”

Ik knikte terwijl hij met grote ogen naar mij keek. De Deurman wilde graag weten wat er was. Zijn nieuwsgierigheid fonkelde uit zijn ogen en even leek het alsof hij met mijn antwoorden de jackpot zou kunnen winnen.

“Je ruikt nogal naar de wiet.”

“Wil je ook?”, fluisterde hij.

Hij is echt lelijk.

Schoonheid zit van binnen. Het is dat wat wij met ons meedragen. De echte pracht en praal zijn de dingen die wij doen wanneer alles om ons heen zwart is. Wanneer het grijs om zich heen grijpt en alle kleuren doet verdwijnen. Schoonheid is de regenboog. Jammer genoeg is de ziel van vele, niets anders dan een zwart gat.

Ja. Hij is écht lelijk.

Zonde

Zonde

Het zou zonde zijn als ik niets met zondes zou doen. Ze zou laten verstoffen, vergeten en laten verdwijnen. Misschien is het wel de grootste zonde die wij kunnen begaan. Er geen een maken. Sterren die vallen hebben slechts één bestemming. De grond. De vergetelheid en hun einde.

Ons gedrag is de reden waarom de redding nooit zal komen. Zich zal afkeren van onze daden en zal wijzen naar onze zondes. Het maakt niet uit hoe groot ons spijtbetuig is. De dwalingen die wij uiten zijn ons te dragen kruis. De last zal met tijd zwaarder worden en verlichting is slechts voor de tere zieltjes.

Dwalen. Van het pad af, om de juiste weg te vinden. De enige manier om de finish te halen en wie weet, nog eens iets op te steken van de reis. We leren van fouten. Zondes zijn niets anders dan uit de klauwen gelopen oepsjes. Vergissingen met hoofdletters en knopen die ons maken. Die ons binden, aan elkaar.

Een paar dagen geleden vond ik Jezus. Hij zag mij. Riep mij. Liet mij voelen hoe het kon zijn. Ik nam hem mee, droeg hem en gooide hem even later op tafel. Ik kocht namelijk Jezus. Een glossy over de Zoon. Vol met verhalen van ongelovige en nieuwe feiten. Nouja, feiten. Fabels, want ik geloof niet. Wel in sprookjes, maar dat is een ander verhaal.

Religie is interessant. Het laat zien waarom sommige schapen zo kortzichtig kunnen zijn. Het toont dat ongelovige soms een dikke pain in the ass zijn. Al met al, het bindt. Net als zondes.

Wat zijn zondes nou echt? Is het dat wat er in het Sprookjesboek staat? Zijn het de dwalingen die wij tegen beter weten in maken, of is het dat wat we juist niet doen? Het misbruik van het leven? Het gebruik er van? Of is alleen een hap naar zuurstof soms al een zonde?
Gunnen wij de zondaar zijn lucht? Het bloed wat door zijn lichaam pompt, vlak voordat hij de keel doorsnijdt van zijn laatste slachtoffer? Hebben wij het recht om te oordelen over de zonde van een ander?

Mijn oma vertelde mij vroeger vaak dat we de splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen. Vreemd genoeg had ze gelijk. Ik gun de zondaar zijn zonde niet. Maar volg wel het pad van mijn persoonlijke zondes. Ik leef ze uit, gooi ze weg en ga verder. Neem afstand en spring het diepe in. Op zoek naar de zonde twee punt nul.

Wat zondes nou echt zijn? Een leven zonder. Dat is de zonde. Zonder vergiffenis.

Vergaan

Vergaan

“We zouden het gewoon moeten doen.” Zijn donkere ogen staan vol plannen. Stralen, maar branden op zijn leed. Meneer Blauwtje heeft het flink te pakken, hartzeer twee punt nul.

“Een afscheidsbrief?” Ik ben van nature een vreemd ding. Ik geloof niet, maar zweef. Wil heel stoer zijn, maar ben van porselein. Ik schreeuw het van de daken, terwijl ik slechts fluister.

Meneer Spraakzaam vraagt of hij ook mee mag doen. Hij heeft talent voor woorden, leeft graag in fantasie en wil de spot met ons drijven.

Daar ligt het vel papier, voor mij op tafel. Leeg, eigenlijk niets anders dan een spiegel. De woorden die je schrijft, zijn de weerkaatsing van gedachten. Mijn plezier, of in dit geval mijn leed. Het oude zeer, dat soms nog voelt als de dag van gisteren.

“Kan je het wel?” Meneer Spraakzaam lijkt even bezorgd, zag hoe ik mijn zucht de wereld in hielp en hoe de woorden door mijn gedachten vlogen.

Ik knik en vertel hem dat ik net super woman ben, alleen dan knapper. Hij lacht, mompelt iets over aantrekkelijke arrogantie en waggelt de keuken in.

“Hey! Dan steken we daarna de brieven in brand!” Meneer Blauwtje trekt een grijns, ziet de vlammen al vechten. Branden, zoals hij haar graag zou laten branden. Gewoon, tot er slechts een hoopje as overblijft.

Zijn pen raakt het papier, terwijl het puntje van zijn tong uit zijn mond spiekt. Hij vergeet de wereld om hem heen en heeft niet door dat meneer Spraakzaam naast hem gaat zitten.

Zacht leest meneer Spraakzaam de woorden voor. Meneer Blauwtje blijft schrijven en even verbaasd het me. Hij schrijft over de dingen die hij al lang wist. De zaken die altijd al aan de oppervlakte lagen, maar keer op keer terug geduwd werden. Terug naar de bodem, daar waar echte monsters geboren worden.

Meneer Spraakzaam pakt een vel papier en kauwt wat op de achterkant van zijn pen. Hij wiebelt wat met zijn wenkbrauwen en kijkt waar Meneer Blauwtje zijn ogen op heeft gericht.

Ons pijnpikkie is druk met de woorden, ze stromen op papier en Meneertje Blauwtje vergeet alles om hem heen. Hij is zo druk dat hij de vluchtige knipoog van Meneer Spraakzaam niet opmerkt. Geen schande, want ik geloof dat de snelle non verbale uiting ook niet voor hem was.

Even gooit hij zijn Alpha imago aan de kant, mompelt iets wat mijn oren niet opvangen en verdwijnt. Daar zit ik dan, aan tafel met twee mannen.

Meneer Blauwtje heeft het er zwaar mee. Zijn emotie uiten op een stuk papier. Misschien, had hij dat in de relatie eens moeten doen. Wie weet, schreef hij dan nu wel een liefdesvers.

Meneer Spraakzaam schermt zijn woorden af, ik heb geen flauw idee welke zinnen vechten op zijn vel papier. De nieuwsgierigheid in mij brandt en het liefste zou ik het geschreven woord uit zijn handen trekken.

Even zie ik mijn porseleinen armen afbreken, hoe mijn gegil de theeglazen doet breken en ik realiseer me hoe levendig mijn fantasie soms kan zijn.

Vreemd genoeg vlogen de woorden voor mijn afscheidsbrief mijn gedachten in. Alsof het niets was, nooit geweest was en nooit zou worden.

Mijn pen raakte het papier, de inkt vloeide en woorden werden geboren. Uit niets, kruipen zinnen. Leren ze staan als korte alinea’s en vormen ze het verhaal.

Plots schiet Meneer Blauwtje van zijn stoel. Als een trotse kleuter staat hij daar, met de vellen papier in zijn hand. Te zwaaien alsof de vrouw van zijn leven langs komt lopen, stuiterend zoals hij van een xtc pilletje zou doen.

“Gaat het, of heb je kortsluiting daarboven?” Meneer Spraakzaam lacht, ziet zijn beste vriend graag zoals hij daar staat. Trots, vol van energie en dwaas van gedrag.

“De fik erin!!!!” Meneer Blauwtje wil de vlammen het leven schenken, zijn woorden laten vergaan zoals zijn relatie dat was.

vergaan

maar niets vergeten

hoe alles ooit

begon met daten

hoe hij ooit

door haar bezeten

maar nu alleen

en totaal versleten